logo

Drukte & Duizendknopen

Auteur: Rein Cremer


De titel van dit jaarverslag kan op verschillende manieren gelezen worden. "Drukte", want zo valt ons werk van het afgelopen jaar wel te omschrijven. "Duizendknopen", want daar gaat het elk jaar in dit verslag wel (even) over. Men kan ook lezen: "Drukte over duizendknopen", want er ontstond enige drukte toen het stadsdeel in de zomer een poging deed om op een aantal plaatsen de exotische duizendknopen, vooral in het recreatiegebied, te bestrijden met het onkruidbestrijdingsmiddel "Round-Up Ready". Daar kom ik straks op terug, eerst het gebruikelijke deel van het verslag.

Trouwe lezers van dit jaarverslag weten dat het vrijwilligerswerk veel weg heeft van een soap op de tv. Daarin zitten altijd wel de elementen liefde en sex, ziekte en geboorte, fraude en liefdadigheid, en ga zo maar door. Alleen de precieze invulling en de spelers veranderen voor een deel. Zo gaat het bij ons werk in De Oeverlanden ook. Er worden wilgen geknot en grienden afgezet, er wordt gemaaid, geharkt en afgevoerd; we verzamelen zwerfvuil en onderhouden ons gereedschap, er worden informatieborden gemaakt en geplaatst et cetera, dat doen we elk jaar, alleen zijn de verhoudingen elk jaar verschillend. Ook de spelers veranderen. Sommige vrijwilligers zijn er bijna altijd, bij hen bestaat de verandering voornamelijk uit veroudering. Anderen helpen voor kortere tijd mee, of minder regelmatig. Maar door die dertien verschillende personen zijn er al met al veel uren gewerkt, in totaal zo'n 1973, en dat zijn er heel veel meer dan in de voorgaande jaren. En dat is maar goed ook, want het aantal vaste stadsdeelwerkers in het gebied lag vorig jaar gemiddeld onder de twee, één minder dan in de jaren daarvoor gebruikelijk was. Met hen, Ulrike en Carla, werd overigens als gebruikelijk weer prettig samengewerkt, en niet alleen vanwege onze traditionele soep in de winter en zelfgemaakt vruchtenijs in de zomer.

En dan nu de duizendknopen. Voor de goede orde: dan gaat het niet over inheemse soorten als perzikkruid, waterpeper of de heggeduizendknoop, maar over twee "exoten", de Japanse duizendknoop en de Sachalinse duizendknoop. Beide zijn ooit als sierplant ingevoerd maar zijn inmiddels op veel plaatsen in Nederland verwilderd, ook in De Oeverlanden. Er zijn wat verschillen, maar een overeenkomst is dat ze beide ondergronds zeer grote wortelstokken vormen en zich met ondergrondse uitlopers steeds verder uitbreiden. Vanwege dit ondergrondse stelsel zijn ze zeer moeilijk uit te roeien. Daarnaast worden ze beide behoorlijk hoog, respectievelijk zo'n ruim twee tot vier meter hoog. Daarbij vormen ze dan een dicht bladerdek waaronder andere planten niet of nauwelijks een kans krijgen. Ik heb wel eens horen zeggen: "De biodiversiteit verdwijnt waar de Japanse duizendknoop verschijnt", vermoedelijk een oude oosterse wijsheid.

Fallopia japonica - Japanse duizendknoop
Onze belangstelling voor de Japanse duizendknoop (en daarmee bedoel ik hier gemakshalve ook het Sachalinse neefje) ontstond ruim tien jaar geleden toen we merkten dat een rozenstruweel dreigde af te sterven door erbovenuit groeiende duizendknopen. Gedurende twee jaar hebben we ze toen met hakken bij de rozen weggehouden, maar toen kregen we het idee dat zulks niet hielp omdat de uitlopers van planten in de omgeving toch weer die rozen bereikten. Daarna besloten we om op een drietal veldjes in de buurt, elk zo'n honderd vierkante meter groot, maar eens te gaan experimenteren met verschillende manieren van bestrijding. Dan gaat het om bijvoorbeeld maaien, met zeis en machine, zo'n twee tot vijf keer per jaar. Op sommige plaatsen werden ze handmatig, maar niet al te diepgravend, verwijderd, een vorm van regelmatig 'plukken' die op open stukken nog wel te doen is, maar minder aangenaam wanneer je urenlang op je knieën tussen de rozenstruiken doende bent. Ook is geëxperimenteerd met het deponeren van maaisel op de plekken waar ze groeien, omdat we het idee hadden -en nog wel een klein beetje hebben- dat ze daardoor in hun groei flink worden geremd.

Ook hebben we geprobeerd om het hele ondergrondse deel uit te graven, op veel plekken so-wie-so een zware klus omdat de bodem daar vol zit met puin. Bovendien kan de wortelstok diep gaan, mogelijk tot zo'n halve meter. Daarbij komt dat je niets mag laten zitten omdat uit een stukje uitloper van een halve centimeter dik en anderhalf lang (stukjes van 7 gram) al weer een nieuwe plant kan groeien, wat dus nog veel nazorg vergt. Naar schatting, vermoedelijk aan de lage kant, kost degelijk uitgraven tenminste drie uur per vierkante meter, allerlei aspecten meegerekend. Dat vergt aardig wat menskracht, die er niet altijd evenveel is, en die dan ook niet elders ingezet kan worden. De duizendknopen zijn dan op de experimenteerveldjes wel wat teruggedrongen, elders ging de uitbreiding gewoon door. In gewoon Nederlands heet dat dweilen met de kraan open.
Van de driehonderd vierkante meter waarop we experimenteerden zijn nu, waarschijnlijk, zo'n 75 duizendknoop-vrij. Op het resterende deel doen ze het deels heel slecht, maar er staan ook nog flinke pollen. Op dezelfde voet doorgaan kost, alleen daar al, zeker nog eens acht jaar. En dat is alleen nog maar op die plaatsen. In totaal komt er in De Oeverlanden een tiental plekken voor van ongeveer 100 vierkante meter elk, in totaal circa 1000 vierkante meter, plus nog aardig wat kleine beginnende polletjes. Ze breiden zich daar naar schatting gemiddeld zo'n halve meter per jaar uit, wat ongeveer neerkomt op een verdubbeling elke drie jaar.
Bovengenoemde manieren van aanpak hebben natuurlijk nadelen. Ze zijn nogal tijdrovend en uitgraven bijvoorbeeld leidt tot een forse en mogelijk niet gewenste ingreep in de bodem. Zoeken naar andere mogelijkheden heeft tot nu toe geen praktische oplossingen opgeleverd.

Een nieuw probleem deed zich voor bij de (her)inrichting van het recreatiegebied. In dat gebied komen op drie plaatsen grote concentraties voor van onze grote duizendknopen. Door de plaatsen waar ze staan zullen ze op den (zeer lange) duur zowel een aantal struweelgebieden alswel de ecologische plas-dras-zone overwoekeren wanneer er op enig moment niets aan wordt gedaan.
Ongelukkigerwijs zijn er bij de herinrichting door grondverplaatsing heel veel kleine ondergrondse delen op tientallen plaatsen in het hele recreatiegebied terechtgekomen. In 2000 is door mij en door nog enkele mensen gedurende één dag per week, van maart tot september geprobeerd ze op deze nieuwe lokaties uit te roeien. Dat kost veel tijd maar ook veel discipline, eindeloos controleren, bijvoorbeeld omdat uit een zeer diepgelegen stuk wortelstok elke twee weken opnieuw een exemplaar op kan komen. Bovendien blijven ze in hun beginfase, de eerste paar jaar, vaak nog erg klein, zodat je voor de zekerheid onder of achter elke brandnetel of smeerwortel moet blijven kijken. Desondanks is het toen grotendeels gelukt de nieuwe vestigingsplaatsen te voorkomen.
Toen bereikte mij van stadsdeelzijde de vraag wat ik zou vinden van bestrijding van deze duizendknopen in het recreatiegebied met behulp van het (onkruid)bestrijdingsmiddel Round-Up Ready. Daarbij zou dan de "stip-methode" worden gebruikt. De bedoeling is dan dat afzonderlijke planten met het middel worden aangestipt, zodat er zo weinig mogelijk op andere planten of in de bodem terechtkomt, anders dan bijvoorbeeld in de landbouw waarbij men van de sproei-techniek gebruik maakt.
Het gebruik van dat, of enig ander bestrijdingsmiddel, was tot dan überhaupt nooit bij me opgekomen, maar de bovenbeschreven traagheid bij de bestrijding maakte wel dat het tot de opties ging behoren, zeker als experiment. Na lezing van literatuur over het betreffende middel, en na wat slapeloze nachten, kwam ik tot de conclusie dat er weinig tegen was om het eens te proberen: wat is de keuze tussen slecht en nog slechter? Het gevolg was dat het middel in de zomer van vorig jaar inderdaad is toegepast, wat tot de nodige protesten heeft geleid.
De betreffende vraag was door mij ook doorgespeeld naar het bestuur van de Vereniging De Oeverlanden Blijven!, maar is daar door een miscommunicatie niet tijdig aan de orde gekomen. Inmiddels ligt er ook de vraag of het middel, eventueel, ook buiten het recreatiegebied gebruikt zou kunnen of moeten worden.
Eén en ander heeft er toe geleid dat ik al een tijdje werk aan een rapport waarin zowel de Japanse duizendknoop zelf, als wel alle mogelijke bestrijdingswijzen -indien nodig- aan de orde komen. Een rapport dat zo neutraal en objectief mogelijk moet zijn, waarbij allerlei aspecten, voor- en nadelen op een rijtje worden gezet. Dat rapport ontstaat langzamerhand wel, met de nadruk op langzaam omdat veel noodzakelijke gegevens niet allemaal even gemakkelijk te vinden zijn. Wat hierboven aan de orde is gekomen is slechts een klein deel van de gehele problematiek. "Gestaag maar traag" zijn de trefwoorden bij het schrijven.

De lezer zal zich inmiddels wellicht afvragen of die exotische duizendknopen voor mij geen obsessie zijn geworden, of ik de realiteit niet een beetje uit het oog ben verloren. Ik heb me dat ook wel eens afgevraagd, maar bij het reizen (treinen en wandelen) door Nederland is me de laatste jaren gelukkig opgevallen dat meer en meer mensen aan het bestrijden zijn geslagen. Voor wie nog twijfelt volgt nu een citaat van E. Weeda uit de "Nederlandse oecologische Flora, wilde planten en hun relaties" (deel 1): "De Japanse duizendknoop is een zeer hoge, overblijvende nazomerbloeier met lange, dikke, vertakte wortelstokken en forse, buisvormige stengels, die jaarlijks tot de grond afsterven. (-) Aangeplante of weggegooide planten van deze soort verwilderen zeer sterk en kunnen grote oppervlakten van de inheemse vegetatie overwoekeren. Ze blijken zich ook te kunnen uitzaaien. In wegbermen, op spoordijken en aan bosranden, maar ook in brongebieden en beekdalbossen vormen ze op talloze plaatsen een dichte ruigte, die 's winters in een luguber 'buizenwoud' verandert. Alleen wat voorjaarsplanten en taaie rakkers als de Grote Brandnetel houden het daartussen uit. Er moet daarom worden gewaarschuwd tegenover het deponeren van agressieve tuinplanten als de Japanse duizendknoop in bossen of bermen: de inheemse flora heeft ervan te lijden! Ook de verwante Sachalinse duizendknoop wordt gekweekt. Hij verwildert op soortgelijke plaatsen als de Japanse duizendknoop, zij het minder veelvuldig."
Uiteindelijk overheerst bij mij uiteindelijk toch het gevoel dat de gevaren die de Japanse duizendknoop met zich meebrengt in Nederland (nog) niet tot iedereen zijn doorgedrongen. Dat is anders dan in bijvoorbeeld Engeland, waar de aanplant van, en de al dan niet opzettelijke verspreiding van de plant inmiddels bij wet zijn verboden.

Voor wie nu mocht denken dat de duizendknopen denken en werken van de vrijwilligers geheel beheersen: nee, dat is niet zo!